Kinderkoor en/of muziekschool
2010 11 januari
De Finse dirigent Kari Ala Pollanen verplicht alle kinderen die toetreden tot zijn kinderkoor om zich in te schrijven op een muziekschool en om daar een instrument te leren bespelen.
Op die manier kan de dirigent intenser en kwaliteitsvoller werken met de kinderen en komt het kinderkoor sneller tot een mooi resultaat. Dit werkt bijzonder motiverend voor de kinderen en voor de dirigent.
Kan dit ook in Vlaanderen werken? Ik kijk alvast uit naar de reacties!

In een interview in het tijdschrift Kaap Kunst, nr. 6, februari 2010 stelt Manfred Grunenberg, projectleider en directeur van de Stichting Jedem Kind ein Instrument: ‘Het enige dat zou helpen is als elk kind elk instrument (dus ook de stem) leert kennen op school. Het roer moet radicaal om.
Wij moeten de kinderen niet naar de muziekschool lokken, wij moeten de muziekschool in de basisscholen brengen’. Een opmerkelijke uitspraak!
De verschillende auteurs hebben in hun reacties al heel wat elementen aangebracht die van belang zijn voor koorzang en kinderkoor: de culturele competenties en de sociale vaardigheden van het thuismilieu van het kind, het belang van scholing om de aanwezige competenties te ontwikkelen, de sfeer waarin dat kan gebeuren (aanmoedigend, open versus volgens het boekje / curriculum), het recht op zingen voor elk kind, artistieke activiteit als stimulans of kristallisatiepunt in de persoonlijke ontwikkeling van elk individu.
M.b.t. de context waarin die elementen gerealiseerd kunnen worden heb ik wel enkele bedenkingen:
1. Elk individu heeft zijn specifieke genetische aanleg, groeit op een bepaalde context (familiaal, sociaal, financieel, cultureel enz.) en krijgt daardoor al dan niet een aantal kansen om zichzelf (met hulp van anderen) te ontwikkelen. Het principe om voor ‘zoveel mogelijk mensen kansen op ontwikkeling te schenken’ is steeds de drijfveer geweest van mijn professionele inzet. De realiteit is een andere. Mensen kunnen de geboden kansen om allerlei redenen vaak niet grijpen en dat zullen we nooit kunnen oplossen.
2. Er zijn natuurlijk structurele elementen die mee bepalen of kinderen kansen krijgen en of ze die kunnen grijpen. Voor wie uit een sociaal of cultureel ‘zwak’ milieu komt heeft het dagonderwijs vaak een meerwaarde gebracht, waardoor ze maatschappelijk konden opklimmen. Voor wie op dat punt ‘sterk’ staat is dat veel minder belangrijk. Die opmerking geldt voor het dagonderwijs (van laag tot hoog), maar even goed voor het Deeltijds Kunstonderwijs.
3. Structuren op zich lossen niet noodzakelijk een probleem op. Als de mensen die in die structuren actief zijn niet gemotiveerd zijn of de competenties missen om hun taak goed in te vullen staan we even ver. Ik heb het dan concreet over tekorten in de opleiding (vooraf kiezen voor een professionele of een educatieve artistieke carrière met de daaraan verbonden vereisten en opleidingsonderdelen), over een gebrek aan de juiste vaardigheden (management, open visie, samenwerking over verschillen heen, motiverend werken …), over onzuivere doelstellingen (wat is de taak van het dagonderwijs versus het DKO?) en het resultaat van de geïnvesteerde middelen na evaluatie, over de invloed van politieke en syndicale aanhorigheid op benoemingen enz.
4. Het proces van democratisering dat de voorbije 150 plaats greep heeft in Vlaanderen geleid tot economische, culturele en politieke ontwikkeling, die grote groepen mensen de kans geboden heeft om een beter leven te leiden dan hun ouders. Maar die democratisering heeft ook enkele nadelen. De macht van het getal leidt niet noodzakelijk tot een doordacht en toekomstgericht beleid, zoals we vandaag aan den lijve ondervinden. In combinatie met de sterke mediatisering van onze maatschappij heeft dat tot gevolg dat kinderkoren vandaag de ‘nieuwe hype’ worden en dat morgen acrobatie op ski’s of schaatsen een nieuwe olympische discipline worden. Kortom, ik volg Jan Coeck in zijn cynisme dat vandaag alles ‘leuk’ moet zijn, vooral geen inspanning mag vragen, tot onmiddellijke resultaten moet leiden en een sterk showaspect moet vertonen om nog aanvaardbaar te zijn voor het grote publiek en voor de overheid die in die show meestapt. Blijft de vraag of -en tot op welke hoogte- de (amateur-)kunstensector in dat verhaal moet meestappen…
5. Kunstenaars hebben altijd een voortrekkersrol gespeeld op artistiek en maatschappelijk vlak. Althans een elite van kunstenaars. Wanneer ik zie hoeveel goede dirigenten we vandaag hebben en welke prima resultaten ze neerzetten tot ver in het buitenland, maak ik me eigenlijk niet onmiddellijk zorgen over de toekomst van de (koor-)sector. Kwaliteit zal altijd boven drijven.
6. En daarmee zijn we terug bij het uitgangspunt: hoe lossen we enkele knelpunten op inzake opleiding, rekrutering, publieksbereik enz. ? Ik heb enkele suggesties m.b.t. de structurele oorzaken van de huidige situatie:
- één hogeschool voor de kunsten, waarin de verschillende disciplines hun specifieke curriculum kunnen doorlopen onder leiding van de beste leraars (einde verzuiling en versnippering, efficiënter inzet van mensen en middelen);
- een toegangsexamen met aangepaste criteria voor studenten conservatorium; wie niet voldoet aan bepaalde minimumnormen wordt ook effectief ‘gebuisd’;
- opsplitsing van de conservatoriumstudenten op basis van talent en artistiek resultaat: richting orkest en solisten en onderwijsrichting;
- integratie van een groot aantal leerkrachten van het huidige DKO in het dagonderwijs om vanaf de lagere school (in het kleuteronderwijs worden leerkrachten daartoe opgeleid) kunsteducatie te geven;
- dat laat toe het niveau van de opleiding in het DKO te verhogen zodat getalenteerde leerlingen daar niet weggaan om privéles te volgen dan wel het niveau niet halen om nadien geen hoger kunstonderwijs meer aan te kunnen. Techniek en artistieke ontwikkeling vormen de basis van de opleiding. Hoe dat gegeven wordt, is een kwestie van pedagogische aanpak, motivatie, modulair werken, artistieke projecten enz. De concrete invulling zal een mix van deze en andere elementen moeten zijn, in onderling overleg te bepalen door leerkrachten, directie en overheid. Niet het diploma of de regeltjes zijn van belang maar de output;
- noch in de laatste versie van het decreet amateurkunsten, noch in het huidige decreet DKO behoort samenwerking tot de opdracht, wat een geïntegreerd beleid niet echt stimuleert.
Tot slot. Veel van deze opmerkingen en voorstellen zijn niet nieuw. Ze werden al jaren geleden geformuleerd door het toenmalige steunpunt voor de AK-sector VCA en/of werden uitgewerkt in de overheidscommissie samenwerking onderwijs-cultuur. Onder Frank Vandenbroucke, gedefenestreerd socialistisch minister van onderwijs, wilde men hiermee aan de slag. Toen lag het ‘katholieke’ departement cultuur dwars. Weet iemand of de nieuwe lichting ministers van plan is hiermee nog iets te doen? Mijnheer Broeckx, uw suggestie m.b.t. het laten proeven van verschillende artistieke werkvormen was één van de elementen van een globaal rapport, dat door beide ministeries uitgegeven werd en u daar normaal gesproken nog kunt opvragen. En ook het VCA heeft aandacht gehad voor de problematiek van samenwerking tussen DKO en amateurkunstensector. Dat rapport kunt u in principe nog vinden bij het Forum voor Amateurkunsten, dat de stock overgeërfd heeft van het VCA. Hopelijk zien we over 25 jaar de eerste resultaten van ons denkwerk. Als het God belieft.
Ik kan me ruimschoots terug vinden in de reactie van Jean Smeets. Vooral de vraag waarom dat er niet meer interactie en samenwerking is tussen de ‘muziekscholen’ en het koorleven houd me bezig.
Puttend uit mijn eigen ervaring (jaren geleden in Tienen) weet ik dat die samenwerking er kan zijn met een expressieve èn muzikale directeur die in staat is zijn leraarskorps te inspireren. Hier was er zelfs sprake van samenwerking tussen het koorleven, de Academie èn Jeugd en Muziek. Het kan dus wel!
Waarom dan in vele gevallen niet? Waarom wordt het er niet beter op met de nakende hervorming in het DKO, zopas voorgesteld door minister Pascal Smet? Waarom een systeem weer veranderen dat eigenlijk nog niet zo slecht in elkaar zit? Misschien moeten we eerst eens gaan kijken hoe het eraan toegaat in het DKO.
Als ik van mijn kind te horen krijg dat hij ‘liedjes’ mag zingen met als begeleiding de elektronische klanken van de leraar’s laptop; kunnen we dan nog spreken van een vocaal, kindgevoelig, muzikaal (!) kunstonderwijs? De lessen AMV, ik hoor toch nog liever ‘solfége’, worden de laatste jaren gedegradeerd tot nootjes zingen. Bijscholingen georganiseerd door het OVSG (AVSG) worden practisch niet gevolgd, er is zelden een visie, laat staan over de muzikale opvoeding van een kind in een leeftijd dieals meest belangrijk wordt genoemd door pedagogen.
Enkele decennia geleden ben ik bij de start van het Hasselts Kathedraalkoor gaan vragen of mijn zangers zich mochten inschrijven in de Academie voor de zangklas. Dat mocht, maar ze moesten dan wel nog een hele resem bijvakken volgen (waar ze zelf voor gediplomeerd waren deze te onderwijzen!) tot en met samenzang toe. Uiteraard hadden de zangers werk genoeg, in de muzikale sector, om dan hier ook nog eens voor te kiezen. De samenwerking is hierop afgeknapt.
Geef de directie van de academies minder papierwerk, laat ze gaan kijken in de klassen, de leerkrachten stimuleren nieuwe methode’s te ontdekken in de bijscholingen of in cursussen waar deze aangereikt worden. Een gedegen, inoverende, progressieve muzikale visie is o zo belangrijk. Hoe kunnen we anders evolueren naar beter? En, was het vroeger zo slecht toen we in de ‘solfège’ mochten “muziek” maken van Flor Peeters en in de koren graag “muziek” zongen van Palestrina of Schütz…
Na het lezen van deze interessante reacties, kwam het plots in mij op dat er iets gelijkaardigs zou moeten bestaan in de “vrijetijdswereld” (kunst,sport,…) zoals in het basisonderwijs: op woensdagnamiddag en zaterdag “proeven” de kinderen van allerlei activiteiten zoals zang, sport, schilderen, toneel, muziekles,… Zodat ze kunnen ervaren of het hen boeit of niet. En zo zullen ze beter in staat zijn te beslissen welke “hobby” hen het beste ligt; en dan kunnen ze het ook beter volhouden… Maar misschien bestaat dat al?